Woonzorgcentra in slechte papieren: de rekening van zorg als verdienmodel

Op 29 oktober 2026

Woonzorgcentra in slechte papieren: de rekening van zorg als verdienmodel

 

Bijna één op de tien private uitbaters van woonzorgcentra in Vlaanderen zit zo diep in de financiële problemen dat de zorg zelf in het gedrang dreigt te komen. Dat blijkt uit de eerste volledige doorlichting die het Departement Zorg de voorbije jaren uitvoerde bij alle uitbaters in Vlaanderen en Brussel. Een tweede vaststelling is dat bij publieke woonzorgcentra geen vragen rezen over het gebruik van overheidsgeld, bij bijna een op de drie private uitbaters wel.

 

Vlaams minister van Welzijn Caroline Gennez merkt op dat sommige van die woonzorgcentra het hoofd boven water houden dankzij de steun van de grotere zorggroep waartoe ze behoren. Dat is geen geruststelling, het is de kern van het probleem. De zorg voor onze ouders en grootouders hangt dan af van beslissingen in een hoofdkantoor, vaak in het buitenland, of in de vergaderzaal van een investeringsfonds. De koepel van private zorgondernemers vindt het jammer dat opnieuw alleen de private sector onder de loep ligt. Nochtans keek de overheid ook naar de publieke rusthuizen, en daar was het gebruik van overheidsgeld in orde.

 

Wie in de ouderenzorg werkt, schrikt niet van dit rapport. Het is het voorspelbare resultaat van een evolutie van de sector waarin zorg een verdienmodel is geworden, en waarin bewoners en personeel de rekening betalen wanneer dat model hapert.

 

Waar het zorggeld naartoe gaat

 

Een woonzorgcentrum leeft van twee geldstromen. De bewoner betaalt een dagprijs voor wonen en leven, de Vlaamse overheid financiert de zorg. In een publiek woonzorgcentrum blijft wat overschiet in huis: het gaat naar personeel, renovatie of een lagere factuur. In een commerciële groep staan er meer mensen aan de kassa. De aandeelhouder wil rendement, de eigenaar van het gebouw wil huur, het moederbedrijf rekent managementvergoedingen aan en leningen binnen de groep kosten interest. Uit de doorlichting blijkt bovendien dat subsidies opvallend vaak wegvloeien naar organisaties die met de uitbater verbonden zijn. Dat is geen ontsporing van het model. Het is het model.

 

Neem Armonea, een van de grootste commerciële zorggroepen van ons land. Armonea werd verkocht aan een Franse groep die zelf van het ene investeringsfonds naar het andere ging, tot de schuldeisers het roer overnamen toen de marges afkalfden. Of neem Emeis, het vroegere Orpea: na het schandaal rond het boek “De doodgravers” moest de Franse staat de groep van het faillissement redden. De beslissingen over hun woonzorgcentra vallen dus niet in Vlaanderen, maar in Parijs.

 

Daar komt het vastgoed bij. Veel commerciële uitbaters huren hun gebouwen, vaak van beursgenoteerde vastgoedbedrijven, met langlopende contracten en een huur die mee stijgt met de index. Die huur moet betaald worden, ook als er kamers leegstaan omdat er te weinig personeel is. De Vlaamse regering erkende in 2024 zelf dat er met ingewikkelde constructies geld uit de zorg wordt gehaald, ten voordele van vennootschappen op de achtergrond. Toen sprak ze nog van een beperkt aantal gevallen. Vandaag rijzen er bij bijna één op de drie private uitbaters vragen over hoe ze het overheidsgeld besteden.

 

Hoe dat er concreet uitziet, toont de commerciële groep Orelia. Eind vorig jaar berichtte Het Nieuwsblad dat er bij die groep geld uit de zorg was weggevloeid naar gelinkte firma’s, waaronder een technologiebedrijf. Begin dit jaar bleek uit een verslag van de zorginspectie dat Orelia meer dan honderdduizend euro aan kortingen op medicatie had achtergehouden die voor de bewoners bedoeld waren. De groep ontkent de beschuldigingen.

 

Wie de rekening betaalt

 

De rekening van dit verdienmodel ligt bij de bewoners en het personeel. Een plaats in het woonzorgcentrum kost vandaag gemiddeld ruim 2350 euro per maand, supplementen niet inbegrepen. Dat is zo’n 570 euro meer dan het gemiddelde pensioen, een verschil dat veel bewoners elke maand opnieuw uit hun spaargeld moeten halen. In de commerciële instellingen ligt de factuur het hoogst. De pensioenen zijn een federale bevoegdheid, de woonzorgcentra en hun prijzen een Vlaamse. De zorgvrager wordt tussen die twee geplet.

 

Duurder betekent niet beter. Uit overheidsgegevens die seniorenvereniging OKRA opvroeg, blijkt dat commerciële spelers het minste zorgpersoneel inzetten: nog geen vier voltijdse zorgmedewerkers per tien bewoners, tegenover vijf in een publiek woonzorgcentrum. Nochtans werken ze in de commerciële sector met dezelfde subsidieregelingen en dezelfde minimale arbeidsvoorwaarden. Een hogere prijs met minder personeel betekent dat het geld ergens anders terechtkomt dan bij de handen aan het bed. Bij de woonzorgcentra die de minimumnorm voor verpleegkundigen niet halen, zijn de commerciële rusthuizen ruim in de meerderheid. Publieke woonzorgcentra combineren de meeste handen aan het bed met de laagste prijs, mee omdat de gemeenschap er geld in steekt in plaats van uit te halen.

 

Op de werkvloer voelt men dit direct. Elke ontbrekende collega is een bewoner die langer wacht op hulp bij het toilet, een maaltijd die in alle haast wordt gegeven, een zorgkundige die haar pauze overslaat of op een vrije dag door het werk wordt opgebeld. Zo brandt een model dat op personeel bespaart precies de mensen op die het nodig heeft. Wie de uitstroom uit de zorg wilt stoppen, moet beginnen bij de vraag waar het geld naartoe gaat.

 

Als het misloopt, betaalt de gemeenschap

 

Wat er gebeurt als zo’n groep wankelt, hebben we in ons land al gezien. Orpea kondigde enkele jaren geleden de sluiting van tien woonzorgcentra in Vlaanderen en Brussel aan. Onder de nieuwe naam Emeis wilde dezelfde groep later rusthuizen verkopen en banen schrappen. Dit voorjaar moest Vordenstein in Schoten, een woonzorgcentrum van Emeis, de deuren sluiten nadat het Departement Zorg de erkenning had ingetrokken omdat de kwaliteit van de zorg onvoldoende bleef, ondanks waarschuwingen, verscherpt toezicht en zelfs een schorsing. De bewoners moesten verhuizen, het personeel leefde maandenlang in onzekerheid tot er een sociaal plan kwam.

 

Het buitenland toont waar dit kan eindigen. In Groot-Brittannië ging in 2011 Southern Cross ten onder, toen de grootste uitbater van woonzorgcentra in het land. De groep had haar gebouwen verkocht en teruggehuurd, en kon de almaar stijgende huur niet meer betalen. Lokale overheden moesten noodplannen klaarleggen voor tienduizenden bewoners. In de Verenigde Staten stelden onderzoekers vast dat patiënten in kortverblijf tien procent vaker overleden in woonzorgcentra die in handen kwamen van een investeringsfonds. Er stond minder personeel aan het bed, terwijl de beheersvergoeding stegen.

 

Het patroon is telkens hetzelfde. Zolang het goed gaat, vloeit de winst naar aandeelhouders en vastgoedeigenaars. Als het misgaat, moeten bewoners verhuizen, verliest het personeel zijn werk en moet de overheid de continuïteit van de zorg verzekeren. De winst is privaat, het risico is publiek.

 

Investeer in openbare zorg

 

Uit de private sector klinkt het dat de problemen te wijten zijn aan besparingen. Die zijn er wel degelijk: de Vlaamse regering besliste vorig jaar om tientallen miljoenen euro’s te schrappen uit de subsidies voor de woonzorgcentra, en dat blijft een slechte keuze. Maar die besparing treft zowel publieke als private instellingen, en toch rezen er bij de publieke uitbaters geen vragen over het gebruik van overheidsgeld. Wie extra middelen vraagt zonder garantie dat ze in de zorg blijven, vraagt de belastingbetaler om een lekke emmer te blijven vullen.

 

De minister zegt het zelf: winst maken is niet verboden. Ze kondigt nu wel een verbod aan op winstuitkeringen en buitensporige toplonen. Dat is een stap vooruit, maar een totaal verbod op winst op de zorg wordt al sinds 2024 beloofd en ligt er nog altijd niet. Wie bovendien dividenden verbiedt, maar managementvergoedingen, leningen binnen een groep en dure huurcontracten laat bestaan, die sluit de voordeur maar laat de achterdeur openstaan.

 

Het echte antwoord op deze problematiek ligt elders. Ouderenzorg is een Vlaamse bevoegdheid: Vlaanderen erkent, plant en financiert de woonzorgcentra, en beslist dus zelf waar het zorggeld naartoe gaat. De keuze ligt voor de hand: investeer in openbare zorg. Daar werken meer zorgverleners per bewoner, en wat overschiet gaat naar de zorg en niet naar een holding.

 

Wat moet er concreet gebeuren? Bouw nieuwe publieke woonzorgcentra, want de vergrijzing maakt ze broodnodig. Gaat een commerciële instelling failliet of komt het in de verkoop, zorg dan dat een openbaar bestuur het kan overnemen, en niet een andere private investeerder. Geef geen enkel publiek woonzorgcentrum nog uit handen. En gebruik de hervorming van de personeelsnormen niet om te besparen, maar om in elk woonzorgcentrum genoeg handen aan het bed te krijgen.

 

Federaal ligt de sleutel bij de pensioenen: zolang een gewoon pensioen een plaats in een woonzorgcentrum niet kan betalen, blijft betaalbare ouderenzorg een belofte op papier. Maar in Vlaanderen ligt de keuze nu op tafel. Elke euro die naar aandeelhouders, vastgoedfondsen of verbonden vennootschappen gaat, die gaat niet naar een extra zorgkundige, een verpleegkundige die ‘s nachts niet alleen staat of een lagere factuur. Daarom zeggen we al langer: niet winst, maar welzijn. Zorg voor onze ouders is geen beleggingsproduct. Het is een publieke opdracht, en die verdient publiek geld dat in de zorg

Dries Goedertier, voorzitter ACOD LRB
Bart Servaes, stafmedewerker ACOD LRB

 

Verwante berichten

BOA decreet

BOA decreet

BOA DECREET Regie als excuus: de stille privatisering van onze buitenschoolse opvang Er werd de laatste maanden veel...

Pin It on Pinterest