BOA decreet

Op 22 juni 2026

BOA DECREET

Regie als excuus: de stille privatisering van onze buitenschoolse opvang

Er werd de laatste maanden veel gezegd en geschreven over het BOA-decreet (Buitenschoolse Opvang en Activiteiten). Volgens de Vlaamse overheid moet dit decreet zorgen voor een beter afgestemd, toegankelijk en kwaliteitsvol aanbod voor kinderen en gezinnen. De regie komt daarbij in handen van de lokale besturen. Maar wat vandaag op het terrein gebeurt, is iets helemaal anders. Steeds meer steden en gemeenten gebruiken het BOA-decreet als alibi om zich terug te trekken uit de buitenschoolse opvang. Onder het mom van “regie” wordt de publieke dienstverlening afgebouwd en uitbesteed aan private spelers. Dat is geen technische hervorming. Dat is een politieke keuze. Op 3 april voerden we actie met het gemeenschappelijke vakbondsfront om de uitwassen van het BOA-decreet aan de kaak te stellen. De problematiek kwam ook aan bod op onze eigen actie van 1 april voor sterke openbare diensten en tegen de privatisering van zorg- en kinderopvangvoorzieningen.

De regierol: verantwoordelijkheid, geen excuus

Het BOA-decreet legt de verantwoordelijkheid duidelijk bij de lokale besturen. Zij moeten een lokaal BOA-beleid uitwerken, de middelen verdelen, aanbieders erkennen, het toezicht organiseren en de handhaving verzekeren. Ze krijgen de sleutels in handen om een sterk, toegankelijk en betaalbaar opvangaanbod uit te bouwen. Maar in plaats van die verantwoordelijkheid op te nemen, zien we dat besturen zich terugplooien. In Asse klinkt het bijvoorbeeld dat men zich wil focussen op de regierol en daarom geen opvang meer zelf wil organiseren. Dat is een merkwaardige interpretatie van “regie”. Want hoe kan je kwaliteitsvol sturen als je zelf geen actor meer bent? Hoe bewaak je betaalbaarheid en toegankelijkheid als je volledig afhankelijk wordt van externe spelers? Regie zonder eigen aanbod dreigt al snel een hol begrip te worden.

Het financieel verhaal

Een van de meest gebruikte argumenten voor privatisering is het financiële plaatje. Bij de aankondiging van het BOA-decreet was er inderdaad grote ongerustheid. Met een voorziene enveloppe van 120 miljoen euro leek het erop dat veel gemeenten zwaar zouden verliezen. Simulaties spraken over verliezen tot meer dan 40%. Gemeenten zoals Beringen grepen dat argument aan om privatisering te verantwoorden. Maar dat verhaal klopt vandaag niet meer. In februari 2025 werd de financiering grondig bijgestuurd, met een hoger basisbedrag, een toegankelijkheidsubsidie en een compensatiemechanisme tot 2031. Vandaag verliest geen enkel lokaal bestuur nog middelen ten opzichte van vroeger. Wat wél klopt, is dat lokale besturen méér taken krijgen. De volledige regie, inclusief organisatie, erkenning en handhaving, ligt bij hen.

Complexiteit als alibi

De nieuwe regierol is zonder twijfel complex. Veel besturen waren niet klaar om die op 1 januari 2026 volledig op te nemen, wat leidde tot uitstel tot september 2026. Maar in plaats van die tijd te gebruiken om hun beleid te versterken, kiezen sommige besturen voor de vlucht vooruit: ze besteden de opvang uit. Dat is geen oplossing voor complexiteit. Dat is de hete aardappel doorschuiven.

Een ander probleem is de zogenaamde “neutraliteit”. Lokale besturen zouden zich in een ongemakkelijke positie bevinden wanneer ze tegelijk regisseur én organisator zijn van buitenschoolse opvang. Het is met name niet evident om als “regisseur” subsidies toe te kennen aan zichzelf als “actor.” Die spanning bestaat, maar ze is beheersbaar. De regelgeving voorziet in instrumenten om hiermee om te gaan: een duidelijke functionele scheiding tussen de regierol en de uitvoerende rol, verplichte advisering door het lokale samenwerkingsverband en transparante communicatie over beslissingen. Dat vraagt inspanningen, zorgvuldigheid en sterk bestuur. Niet evident, maar allesbehalve onmogelijk. De neutraliteitsvereiste wordt vandaag te gemakkelijk gebruikt als legitimatie om zich volledig terug te trekken als aanbieder. In plaats van de publieke rol te versterken en transparant te organiseren, kiest men ervoor ze af te bouwen.

Personeelstekorten: probleem of excuus?

Ook de personeelstekorten worden steevast aangehaald. De problemen in de sector zijn reëel: veel kinderbegeleiders werken in deeltijdse en vaak onderbroken diensten, wat leidt tot een hoge uitstroom en een verminderde aantrekkelijkheid van het beroep. Lokale besturen botsen op de grenzen van hun mogelijkheden om snel in te spelen op afwezigheden of om voldoende personeel aan te trekken. Maar de conclusie die daaruit wordt getrokken, is opvallend eenzijdig. Steeds vaker klinkt het dat grotere, private spelers deze problemen beter zouden kunnen opvangen, dankzij schaalvoordelen en meer expertise. In gemeenten zoals Asse wordt expliciet gesteld dat een bovenlokale partner flexibeler kan omgaan met personeelsplanning. Ook in Hemiksem wordt gewezen op de nood aan meer ondersteuning en opleiding en wordt samenwerking met private partners als mogelijke oplossing naar voren geschoven

Toch is het allerminst zeker dat privatisering deze problemen oplost. Integendeel, de logica van schaalvergroting en efficiëntie gaat vaak gepaard met meer flexibilisering, minder werkzekerheid en een neerwaartse druk op arbeidsvoorwaarden in functie van kostenbesparingen. Het risico bestaat dat de structurele problemen van de sector niet worden opgelost. Lokale besturen zouden hier net een andere rol kunnen spelen, door te investeren in stabiele contracten, kwaliteitsvolle jobs en ondersteuning van personeel. Door te privatiseren geven ze die hefboom uit handen.

De gevolgen zijn nu al zichtbaar

De impact van deze keuzes laat zich nu al voelen. Voor gezinnen betekent de privatisering vaak hogere tarieven, minder transparantie, een afbouw van opvanglocaties en grotere verschillen tussen gemeenten. In Vilvoorde bijvoorbeeld betalen ouders vandaag meer voor buitenschoolse opvang. Voor het personeel vertaalt deze evolutie zich in grotere onzekerheid, veranderende arbeidsvoorwaarden en een afname van publieke bescherming. Wat ooit een publieke dienstverlening was, georganiseerd in functie van maatschappelijke noden, dreigt steeds meer een markt te worden waarin andere logica’s primeren.

De kern van het debat is eenvoudig. Willen we dat buitenschoolse opvang een publieke dienstverlening blijft, georganiseerd door en voor de gemeenschap? Of evolueren we naar een model waarin private spelers het aanbod bepalen? Wie vandaag privatiseert, doet dat niet omdat het moet, maar omdat het dit wil. Precies daarom is dit geen technisch debat, maar een politieke keuze met zeer concrete gevolgen voor gezinnen, kinderen en werknemers.

Dries Goedertier

 

Verwante berichten

Pin It on Pinterest